"Reis met ons mee!"
 



Voorwoord
In mei van dit jaar vertrokken Janneke en ik naar India. Voor een reis die we ons nog lang zouden herinneren. We maakten er een avontuurlijke motorreis door de Himalaya, dwars door de ruige en wonderlijke Spiti-vallei in Himachal Pradesh, in het uiterste noordwesten van het land. Janneke zat in de volgauto en reed mee  over dezelfde wegen, door hetzelfde landschap, in hetzelfde avontuur.
Het plan was om – net als tijdens eerdere reizen – een dagboek bij te houden, aangevuld met foto’s, filmpjes en herinneringen. Janneke wist er het een en ander van vast te leggen. Sake niet. De mototrit was zó intens, zó allesoverheersend, dat hij er domweg de energie niet voor had.
Onze dagen begonnen vroeg en eindigden laat. Urenlange ritten over bochtige bergpassen, stoffige valleien en kapotte wegen. En dat alles bij temperaturen die soms opliepen tot ver boven de 40 graden. ’s Avonds volgden nog gezamenlijke maaltijden, gesprekken, indrukken... en dan: leegte. Op. Klaar. Moe. De slaap viel als een deken over ons heen.
Eenmaal terug in Nederland duurde het weken voordat ik überhaupt kon beginnen met schrijven. Mijn hoofd zat nog vol stof en bergen. De ervaring was zó overweldigend, dat ik het simpelweg niet kon ordenen. Wat me verbaasde: ik was veel vergeten. Of misschien liever: veel zat nog ergens diep weggestopt.
Gelukkig bleven sommige herinneringen levendig voor me. De angstaanjagende ritten langs steile afgronden. Wegen die zomaar ophielden. De stilte van de bergen. Het duizelingwekkende uitzicht. De eindeloze landschappen van de Himalaya. De vriendelijke gezichten van mensen die we onderweg ontmoetten.
Toen ik thuis beelden van mezelf op de motor terugzag, schrok ik. Kippenvel. Wat hadden we gedaan? En hoe?! Nu, vijf maanden later, is het moment daar: ik begin aan dit dagboek. Op zoek naar de puzzelstukken van ons avontuur – en naar het gevoel dat we daar ergens achterlieten.
Tijdens het schrijven besef ik iets opmerkelijks: in de afgelopen 15 jaar hebben Janneke en ik de Himalaya op bijna alle denkbare manieren doorkruist.
In 2008 klom ik met Remco naar ruim 5500 meter, over de Thorung La in het Annapurna-massief. In 2011 deed ik dat opnieuw – dit keer met Janneke – en bereikten we samen Poon Hill op 4000 meter. In 2015 reisden we 4000 kilometer met de ‘hemeltrein’ van Beijing naar Lhasa, over de Tangulla-pas op 5017 meter. In onze cabine kregen we zuurstof – en dat was geen overbodige luxe. Daarna reden we met een auto naar het basiskamp aan de noordzijde van de Mount Everest, op 5500 meter hoogte. Daar was géén zuurstof – we snakten letterlijk naar adem.
En dit jaar: op de motor naar 4900 meter hoogte in de Spiti-vallei. (Janneke deed dat opnieuw met de auto, maar wel naar exact dezelfde hoogte.)
De enige manier waarop we de Himalaya nog níét hebben gedaan? Op de fiets. En ondanks dat zulke fietstochten wél worden georganiseerd, weten we nu al: dat laten we aan anderen over.
De Himalaya verandert. Snel. In Nepal, India én Tibet. De grootsheid van het landschap wordt stukje bij beetje opgeslokt door asfalt, auto’s, toerisme en infrastructuur. Waar je in 2008 nog veertien dagen liep om vanuit Kathmandu het basiskamp van de Mount Everest te bereiken, rijd je er straks in drie dagen met een jeep naartoe. Een trieste gedachte.
Maar deze reis... deze reis was nog rauw. Eerlijk. Intens. En vooral: onvergetelijk.

Oktober 2025
Sake & Janneke


Inleiding


Motorreis door de Spiti-vallei in Himachal Pradesh, India


Hoe bedenk je het: op de motor, over gebroken wegen, langs duizelingwekkende afgronden, klimmend naar hoogtes waar de lucht zó ijl is dat je letterlijk naar zuurstof hapt... en dat alles in een gebied waar de spanningen tussen India en Pakistan steeds weer oplaaien?
Tja... hoe kom je daar op?
Het begon eigenlijk al jaren geleden, in 2011. Tijdens een reis door Nepal ontmoette ik in de straten van Pokhara een Engelse reiziger op een Royal Enfield Bullet. Hij gaf me de sleutels en zei: “Try it.”
Ik reed een klein stukje en wist meteen: “Ooit ga ik met een motor door de Himalaya.”
Het heeft even geduurd. Maar in 2024 werd het werkelijkheid.
Ik had al heel wat prachtige motortochten gemaakt – door Europa, door de VS – maar de Himalaya, dat was de ultieme uitdaging. Tijdens eerdere reizen in Nepal en Tibet hadden we alles zelf georganiseerd, zoveel mogelijk met hulp van de lokale bevolking. Niet alleen omdat hun kennis onmisbaar is, maar ook omdat we geloven dat het geld daar terecht moet komen.
Bij trektochten is dat makkelijk – gidsen, dragers, logies zijn er in overvloed. Maar motortochten? Dat is andere koek. De meeste georganiseerde motorreizen worden aangeboden door grote, commerciële partijen uit Europa. Ze rijden in groepen van vijftien man achter elkaar aan, met een strak schema, weinig vrijheid, en een groot deel van het geld verdwijnt naar buitenlandse rekeningen.
Dat wilde ik niet.
Ik wilde iets kleins, iets echts. Een reis met maximaal zes rijders. Lokale betrokkenheid. Geen polonaise van motoren, maar een avontuur dat met je meegaat.
Via een collega hoorde ik over Bikers for India – en het bleek een schot in de roos. Een organisatie opgezet door Siem, een Nederlander, en Dev, een Indiër. Ze organiseren motorreizen vanuit Delhi naar plekken in India en Nepal. Altijd met kleine groepen. Altijd met lokale steun. En onderweg doneren ze aan lokale projecten.
Tijdens ons eerste telefoongesprek kreeg ik meteen het goede gevoel. Siem’s enthousiasme werkte aanstekelijk. Janneke zat soms mee te luisteren en raakte steeds nieuwsgieriger. Toen hij vertelde dat er ook plekken beschikbaar waren in de volgauto, was ze om. "Ik ga mee," zei ze. En zo was het besloten.
Siem en Dev kwamen nog persoonlijk bij ons langs – een vast onderdeel van hun aanpak. Siem woont de helft van het jaar in India, en de andere helft in Nederland om zijn AOW te behouden. (Hij is inmiddels 76!) In die periode trekken hij en Dev samen door Europa op de motor.
Na hun bezoek was het duidelijk: wij gingen mee. Ik op de motor. Janneke in de volgauto. De voorbereidingen konden beginnen.
Het gebied van de reis
Onze tocht begon in Delhi, het hart van India, en voerde ons via kronkelende bergwegen naar het noordoosten – naar Himachal Pradesh, een deelstaat ingeklemd tussen Tibet, Nepal en Kashmir. In dit gebied ligt de ruige, afgelegen Spiti-vallei, uitgesleten door de gelijknamige rivier, pal langs de grens met Tibet. Het wordt ook wel het “Middenland” genoemd.
De rit naar het hoogste punt – 4900 meter – duurt twee dagen. Sommige stukken rijd je heen en terug over dezelfde weg. Het asfalt is er... meestal. Maar verwacht geen Nederlandse wegen. Hier is asfalt soms een dun laagje hoop over een kapotte ondergrond. Regelmatig stopt de weg gewoon. Dan rij je off-road, over rotsen, door water, over zand.
De wegen zijn smal. En dan bedoel ik: écht smal. Soms is passeren onmogelijk. In de bergen zijn stukken letterlijk uit de rotsen gehakt – zonder vangrails, zonder marge. Eén foutje, één moment van onoplettendheid, en je kijkt honderden meters de diepte in. In totaal rijden we zo’n 70 kilometer off-road.
De Tibetaanse invloeden zijn overal. In het landschap, de gezichten, de gebedsvlaggen, de kloosters. De bergen ademen stilte. Ouderdom. Schoonheid.
De nabijheid van Kashmir zorgt ook voor een rauw randje. India en Pakistan ruziën al decennia over dit gebied, en ook vlak voor onze reis wisselden ze weer raketten uit. Aan het eind van onze reis zouden we nog Amritsar bezoeken, vlak bij de grens. Ook daar, bij de beruchte grensovergang tussen India en Pakistan, wilden we de dagelijkse ceremonie meemaken waarbij de grens ‘op slot’ gaat. (Een soort militair theater – zoek het maar eens op.)
Voorafgaand aan de motorrit maakten Janneke en ik nog een uitstap van drie dagen naar Jaipur en Agra. We wilden nog één keer de Taj Mahal zien. Net voor vertrek kreeg India te maken met een verzengende hittegolf – en in Delhi en omstreken liep de temperatuur op tot boven de 44 graden. Tijdens onze reis zouden we die hitte nog vaak tegenkomen.


Woensdag 30 april – Het vertrek
Vanaf Schiphol vlogen we in iets meer dan acht uur rechtstreeks naar Delhi met Air India. Dat klonk goed: geen overstap, geen gedoe. Maar er was wel een omweg. Vanwege de spanningen met Pakistan mocht het toestel niet over dat land vliegen – de route was dus langer dan normaal.
Het was een nachtvlucht, maar slapen? Geen denken aan. Het toestel was oud en vies, het eten lauw, en het entertainmentsysteem lag eruit. Geen films, geen schermpje. Alleen stilte, boeken en muziek via onze eigen iPads.
Maar goed: we vlogen wel in één keer. En dat scheelde ons alsnog zo’n vijf uur reistijd.


Donderdag 1 mei – Aankomst in Delhi
We landden rond negen uur ’s ochtends in Delhi. De hitte viel als een muur over ons heen toen we het vliegtuig uitstapten. Bij de uitgang van de terminal wachtten Siem en Dev ons op – net als afgesproken bij paal 15. Ze begroetten ons hartelijk en hingen ons een groene sjaal om de nek: een Indiaas symbool van geluk en respect.



De taxi liet even op zich wachten – die stond op de verkeerde plek – dus we hingen drie kwartier wat rond bij de uitgang. Geen probleem. Alles is al een avontuur zodra je hier aankomt.
Na een kop koffie in een klein café pakten we snel onze rugzakjes. We zouden namelijk direct vertrekken naar Jaipur, onze eerste tussenstop. Machienes, een van onze reisgenoten, had aangeboden onze bagage veilig in zijn hotelkamer te bewaren.
De rit naar Jaipur was een belevenis op zich. Een taxi met chauffeur stond voor ons klaar. Maar wat voor rit...
Toeteren, scheuren, uitwijken, inhalen – allemaal tegelijk. En links rijden, natuurlijk. Verkeersregels lijken hier meer suggesties dan wetten. Toch zie je weinig agressie. Het is chaotisch, maar ergens ook harmonieus. Wie een gaatje ziet, gaat ervoor. De rest past zich aan.
Onderweg sloeg het weer om: dikke regen, donder en bliksem. De lucht werd pikzwart. Alles nat, glibberig, dreigend. India in zijn puurste vorm.
Bij aankomst in het hotel in Jaipur bleek dat onze reservering niet was genoteerd. Maar gelukkig konden we toch terecht. Geen luxe paleis, maar wel een kamer. En een douche.
Na ruim 36 uur zonder echte slaap, overmand door indrukken, hitte, herrie en chaos, vielen we als uitgeputte kinderen in slaap in het Krishna Hotel – een plek die haar beste tijd al even achter zich heeft gelaten.

Vrijdag 2 mei Jaipur “The pink city”

Na een rustig ontbijt vertrokken we rond 9.30 uur met onze privéchauffeur richting het hart van Jaipur – de stad die bekendstaat als The Pink City. De zachtroze gloed van de gebouwen gaf meteen een warme, bijna sprookjesachtige sfeer aan de stad.
Onze verplichte gids leidde ons door het indrukwekkende City Palace, een koninklijk complex vol marmeren zalen, kleurrijke mozaïeken en sierlijke binnenplaatsen. Het paleis, gebouwd in de 18e eeuw door maharaja Sawai Jai Singh II, combineert op prachtige wijze de Rajasthani en Mughal stijlen.
We dwaalden door statige ontvangsthallen, bewonderden de glanzende Peacock Gate en lieten ons op de foto zetten in een van de rijk gedecoreerde kamers. In een hal vol lokale ambachten scoorden we nog een prachtige tekening van een pauw – hét symbool van India.
Onderweg stopten we kort bij het Water Palace (Jal Mahal). Een fotomomentje waard, maar verder weinig bijzonders. Daarna ging het door naar het indrukwekkende Amber Fort, dat hoog op een heuvel boven de stad uittorent. Met een jeep reden we naar boven, waar we zonder gids heerlijk op eigen tempo ronddwaalden. De oude muren, de sierlijke hallen en het panoramische uitzicht over de vallei waren adembenemend.
Na dit hoogtepunt reden we richting Agra, waar de volgende ochtend de beroemde Taj Mahal op ons wachtte. Ons hotel lag op loopafstand van de ingang – ideaal voor een vroege start.


Zaterdag 3 mei – Agra en de Taj Mahal


Nog voor zonsopkomst wandelden we vanuit het hotel richting de Taj Mahal. De lucht was heiig, de zon kwam zachtjes door – geen vurige zonsopgang, maar juist dat mysterieuze licht maakte het moment extra bijzonder.
Het was rustig, waardoor we in alle stilte konden genieten van dit wereldwonder. Naarmate de zon hoger klom, veranderde de witte marmeren gevel van kleur: eerst zachtroze, daarna goud, en uiteindelijk parelmoerwit. Een magisch gezicht. We konden er uren naar blijven kijken. Totdat… de hemel openbrak. In één klap begon het te stortregenen, en iedereen rende lachend naar een schuilplek.
Over de Taj Mahal
Het witmarmeren mausoleum is 58 meter hoog, volledig symmetrisch en ingelegd met halfedelstenen. Voor het bouwwerk ligt een perfect uitgelijnde tuin met een lange waterpartij die het beeld weerspiegelt. Aan weerszijden staan een moskee en een gastenverblijf.
De Taj werd in de 17e eeuw gebouwd in opdracht van Sjah Jahan, als eeuwige rustplaats voor zijn geliefde vrouw Mumtaz Mahal, die stierf tijdens de geboorte van hun 15e kind. Meer dan 20.000 arbeiders werkten 22 jaar lang aan dit meesterwerk van marmer, liefde en vakmanschap.
Een ontroerend detail: Sjah Jahan wilde oorspronkelijk een zwarte Taj Mahal laten bouwen voor zichzelf aan de overkant van de rivier. Zijn zoon zette daar echter een streep door – en liet hem uiteindelijk in hetzelfde mausoleum bijzetten.
Op weg naar Delhi
Na het ontbijt vertrokken we richting Delhi, met onderweg nog een paar bijzondere stops. Net buiten Agra bezochten we het Sikandra Fort, de tombe van keizer Akbar de Grote. Een rustig en prachtig complex van rood zandsteen en wit marmer, omringd door serene tuinen. Een enthousiaste gids liet ons akoestische trucjes horen – midden onder de koepel klonk onze naam met een lange echo – en maakte een spontane fotosessie van ons.
We wilden eigenlijk ook de Chand Baori stepped well bezoeken, maar onze chauffeur reed er ongemerkt voorbij terwijl wij dutten in de auto. Terugrijden bleek geen optie; 200 kilometer was net iets te gortig. In plaats daarvan stelde hij het Red Fort voor, waar hij “toevallig” een vriend had. Hm… niet helemaal volgens plan. Achteraf bleek dat hij sowieso wat te hard reed en constant aan het bellen was – volgende keer toch maar een andere chauffeur.
Later bezochten we nog Fatehpur Sikri, ooit de hoofdstad van het Mogolrijk. De imposante rode zandstenen gebouwen zijn indrukwekkend, maar onze gids was allesbehalve charmant – dominant, opdringerig en dwingend. We gaven hem uiteindelijk een kleine fooi om van hem af te zijn. Opgelucht vervolgden we onze rit naar Delhi.
Na een drukke rit door het chaotische verkeer kwamen we eindelijk aan bij ons hotel. Daar ontmoetten we René, die zich bij de groep voegde. De mannen haalden de motoren op, en Sake kreeg zijn vuurdoop in het Indiase verkeer: links rijden, smalle straatjes, toeterende scooters en een zee van mensen. Toen hij even verdwaalde, brak het zweet hem uit – maar gelukkig had Dev het in de gaten en loodste hem veilig terug.
’s Avonds sloten we de dag af met een ritje in de tuktuk naar een modern restaurant, waar – tot onze opluchting – bier werd geschonken. Een perfecte afsluiting van een intens, kleurrijk en onvergetelijk India-avontuur.

Zondag 4 mei – Chandigarh


Vanochtend vroeg, om zes uur, vertrokken. Nauwelijks geslapen — te warm, en een hard bed. De mannen zijn op de motor gestapt, die ze gisteren uit de garage hadden opgehaald. Best spannend in dat chaotische verkeer, en dan ook nog links rijden! Gelukkig viel het mee: het was rustig op deze zondagochtend.
Siem en ik reden met de chauffeur in de volgauto. Siem zat voorin — daar was ik eerlijk gezegd blij mee, gezien de rijstijl hier. Ik dommelde af en toe weg; de gebroken nacht eiste zijn tol.
Na twee uur rijden maakten we een stop voor ontbijt, later nog eentje voor koffie. Rond twee uur ’s middags kwamen we aan in Chandigarh – bloedheet!
Chandigarh is geen gewone stad. Ze werd ontworpen als de “droomstad” van India’s eerste premier, Jawaharlal Nehru, en uitgedacht door de beroemde Franse architect Le Corbusier. Aan de voet van de Shivalik-heuvels ligt ze als een modern kunstwerk van beton, glas en groen: overzichtelijk, ordelijk, bijna Westers van karakter. Brede wegen, rechte lijnen, veel parken en — jawel — zelfs fietspaden! Een verademing in India.
Een van de bekendste symbolen van de stad is het Open Hand Monument, dat vrede en verzoening uitdrukt. In het indrukwekkende Capitoolcomplex, ook van Le Corbusier, huizen de Wetgevende Vergadering, het Hooggerechtshof en het Secretariaat — allemaal robuust en geometrisch, maar verrassend elegant.
Het meest betoverend vonden we echter het Rock Garden, een wonderlijke wereld gecreëerd door kunstenaar Nek Chand. Wat ooit begon als zijn geheime hobby groeide uit tot een park vol beelden, fonteinen en mozaïeken, gemaakt van afval, steen, keramiek en glas. Soms doet het denken aan Gaudí’s werk in Barcelona — speels, fantasierijk, bijna mythisch. Niet voor niets wordt het “de stad van goden en godinnen” genoemd en geldt het tegenwoordig als een beschermd werelderfgoed.
Terwijl we er rondliepen, vroegen verschillende mensen of ze met Janneke op de foto mochten. Janneke is blijkbaar een bezienswaardigheid — waarschijnlijk door haar witte haar en blauwe ogen. Dus daar gingen we weer: een kleine fotosessie in het park.
Na afloop genoten we aan het meer van heerlijke hapjes en drankjes — de heren met bier, Janneke met een frisse mojito.
Met een rammelende tuktuk terug naar ons verblijf, waar ik eindelijk goed sliep. Mijn eigen kamer, voor slechts €16!


Maandag 5 mei – Op weg naar Shimla


’s Ochtends ontbeten we aan het meer en bespraken de dag. Vandaag trokken we de bergen in, richting Shimla. De weg was breed en goed — vierbaans — maar het avontuur liet niet lang op zich wachten.
Machinus moest bij een kruising plots hard remmen; René reed achter hem en kon hem niet meer ontwijken en botste met zijn motor tegen de koffer van de motor van Machines en ging onderuit. Zó jammer! Een pijnlijke schouder, een beschadigde motor en een kapotte camera.
Gelukkig hield Dev het hoofd koel. Hij bleef achter om alles te regelen — takelwagen, reparatie, misschien een vervangende motor. René kon verder op Dev’s motor. Wat een opluchting! Morgen is de motor als het goed is weer rijklaar. De rest van de rit verliep zonder problemen. De jongens genoten zichtbaar; het was echt “kicken” voor hen.
De eerste dagen is Janneke onder de indruk van de groep. Als enigste vrouw in de groep wordt er goed om Janneke gedacht; We letten goed op haar, attent en lief.
Bij het hotel was het een hele operatie om te parkeren: vier motoren en een paar auto’s geperst op een klein hellend plekje langs een drukke weg. Fascinerend om te zien hoe iedereen elkaar hielp — een klein staaltje Indiase vindingrijkheid
Shimla zelf ligt hoog in de bergen, tegen een helling aangebouwd. Een charmant stadje met duidelijke Engelse invloeden— een overblijfsel uit de koloniale tijd, toen het de zomerhoofdstad van Brits-India was. We wandelden door de smalle straatjes, bezochten de beroemde kerk en aten in een gezellig restaurant. Siem bestelde van alles, maar het bleek wat te spicy voor mij — nog steeds een verrassing wat je precies krijgt!
s Avonds dronken we bij Siem en Dev op de kamer thee — en een beetje whisky. Een dag vol spanning, maar met een goed einde.


Dinsdag 6 mei – Op weg naar Sarahan.


De weg kronkelde door een landschap dat met elke bocht mooier leek te worden. Links en rechts stonden kersenbomen in bloei, en overal zagen we bijenkasten, koeien, ezels en paarden die rustig over de weg slenterden. Aapjes zaten parmantig op de vangrails alsof ze het verkeer in de gaten hielden. We keken onze ogen uit – het was alsof we in een levend schilderij reden.
In Sarahan bezochten we de eeuwenoude Bhimakali-tempel, een juweel van houtsnijwerk. We namen deel aan een ritueel: we kochten een mandje met offergaven, kregen een hoedje op en schreven een naam op een blaadje – iemand aan wie we iets goeds wilden toewensen. Daarna werd een rode stip tussen onze wenkbrauwen gezet, het symbool van het zesde chakra, Ajna – verborgen wijsheid. Blootvoets liepen we door de tempel, terwijl een priester zacht onze namen mompelde en ze als wensen aan de goden doorgaf.
Even verderop klonk muziek: een bruiloft! Siem stelde voor om te gaan kijken, en inderdaad – men vond het een eer dat we erbij waren. We werden vriendelijk toegeknikt, uitgenodigd om foto’s te maken, en al snel stonden we midden in het feestgedruis. Het voelde wat ongemakkelijk, maar ook bijzonder om zo’n moment van dichtbij mee te maken.
Wat een dag vol indrukken en warmte.


Woensdag 7 mei – Naar Rakcham.


Vandaag trokken we de bergen verder in – hoger, smaller, avontuurlijker. De weg was niet veel breder dan een fietspad, met diepe afgronden aan één kant en losliggende stenen aan de andere. Telkens als een tegenligger opdook, hielden we onze adem in.
De omgeving was betoverend: steile bergwanden, frisgroene hellingen, en een horizon die telkens weer veranderde. We hobbelden en schommelden in de auto, maar onze chauffeur manoeuvreerde behendig door elk bochtig pad. Voor motorrijders is dit ongetwijfeld het paradijs.
Op 3200 meter hoogte kwamen we aan in een klein boeddhistisch dorp. De lucht was dun, de stilte intens. Hier leek tijd niet te bestaan. Er was geen luxe, geen verwarming – alleen dikke dekens, het licht dat af en toe uitviel, en een sfeer van eenvoud die ons raakte.
’s Avonds warmden we ons aan whisky met cola en veel gelach. Douchen kon niet – de douchekop ontbrak – dus met een emmer water en een bakje deden we het op z’n Himalaya’s.


Donderdag 8 mei – Onderweg naar nieuwe hoogtes.


Na een eenvoudig maar heerlijk ontbijt – mét vers fruit! – gingen we weer op pad. De route was deels dezelfde, maar vandaag zat ik aan de kant van de afgrond. De uitzichten waren duizelingwekkend, en elke keer als we een bus moesten passeren, knepen we elkaar even in de hand.
Halverwege veroorzaakte Sake een klein ongelukje: in een krappe bocht schampte hij een tegenligger met de bagagebak. Gelukkig bleef de schade beperkt en na wat onderhandelen werd alles afgehandeld met 250 euro. De schrik zat er wel in, maar we konden gelukkig door.
In Reckong Peo moesten we een permit regelen om verder te mogen reizen in militair gebied. Dat duurde bijna vier uur. We hingen wat rond bij een grauw kantoorgebouw en besloten daarna in het dorp te overnachten. Morgen verder – India houdt van z’n bureaucratie.


Vrijdag 9 mei – Nako.


Vandaag reden we dieper de bergen in. De wereld veranderde om ons heen: kale rotsen maakten plaats voor sneeuwtoppen, de lucht werd ijler en kouder. Langs de weg wapperden gebedsvlaggen in alle kleuren, en gebedsmolens draaiden zacht in de wind – bescherming voor reizigers op gevaarlijke wegen.
Op 3600 meter hoogte kwamen we aan in Nako, een klein boeddhistisch dorpje vlak bij de Tibetaanse grens. De lucht was dun, onze adem kort, de hoofden wat licht. Toch voelde het hier vredig, bijna tijdloos. We zouden een school bezoeken om cadeautjes uit te delen, maar kwamen te laat. In plaats daarvan bleven we even bij een internaat hangen, waar nieuwsgierige kinderen giechelend op de foto wilden.
De eenvoud van het dorp, de glimlach van de mensen – het raakte ons diep. Hier voelde je echt de kracht van compassie en rust.


Zaterdag 10 mei – Gue en de zelfmummificeerde monnik.


Net toen we dachten dat het niet mooier kon, begon de rit naar Gue. De Himalaya toonde zich in al haar majesteit: rotsen in rood, geel, grijs, steeds wisselende vormen en lijnen. Na elke bocht ontvouwde zich een nieuw panorama.
In Gue bezochten we het kleurrijke Gue Monastery, waar het lichaam rust van de monnik Sangha Tenzin, die zich meer dan 600 jaar geleden zelf mummificeerde in meditatiehouding om zijn dorp te beschermen tegen een plaag. Hij werd pas in 1975 ontdekt en wordt nu bewaard in een glazen kast – sereen en intrigerend.
Naast het klooster zaten vrouwen op de grond in een tentachtige keuken. Ze kookten, lachten en boden ons thee aan. Toen ik een foto maakte, straalden ze van trots. Hun eenvoud en gastvrijheid waren ontroerend.
Daarna trokken we verder richting Kaza, vol verwondering en ontzag.
Zondag 11 mei – Kaza en de top van de wereld
We reden door een ruig, indrukwekkend landschap – een soort Himalaya-“Grand Canyon”. De weg slingerde langs steile afgronden, en uiteindelijk bereikten we Hikkim, met het hoogste postkantoor en café ter wereld op 4800 meter hoogte. We schreven kaarten – ik stuurde er één naar Lies – en kochten wat kleine souvenirs.
Marchines en Sake namen een andere route, dus we zagen elkaar later weer bij het gigantische Buddhabeeld van Langza, dat hoog boven de Rongtong-vallei uittorent. Het gouden beeld glansde in het zonlicht, vredig en krachtig tegelijk. Daar maakten we onze groepsfoto: “Once upon a time in Spiti.”
Op de treden zaten vrouwen die souvenirs verkochten en aan het breien waren. Toen ik liet zien dat ik ook kon breien, barstten ze in lachen uit en moedigden me aan om mee te doen – pure verbondenheid zonder woorden.
Later bezochten we de Chicham Bridge, de hoogste metalen brug ter wereld. Indrukwekkend, al was het vooral symbolisch: de oversteek tussen werelden.
Onderweg terug zagen we berggeiten, yaks en schapen op de bergflanken.
Het was een dag vol hoogtepunten – letterlijk en figuurlijk.
Vandaag was het precies zeventien jaar geleden dat wij onze eerste date hadden, en alsof dat nog niet genoeg was, kreeg ik van mijn lieve boys een “Happy Mother’s Day” toegewenst.
’s Avonds aten we heerlijk in het Blue Mountain Hotel, waar we drie nachten bleven. Sake en ik trakteerden op het diner en kregen als verrassing een klein beeldje van de jonge Boeddha – een perfecte afsluiting van een onvergetelijke dag.


Maandag 12 mei – Dag van Boeddha.


Vandaag vierde India het leven van Boeddha – zijn geboorte, verlichting én dood. Een heilige dag, doordrenkt van wierook, zang en kleur. We waren in Casa, waar we een extra dag waren gebleven om dit bijzondere feest mee te maken bij de Key Monastery. Wat een geluk, want het bleek een van de hoogtepunten van de reis.
De kloosterheuvel gonsde van leven. Monniken in karmozijnrode gewaden bewogen zich tussen vlaggen en bloemen, het geluid van trommels en belletjes vulde de lucht. Overal zaten mensen op de grond te eten en te drinken, in stilte of juist pratend, lachend, zingend.
Ik voelde me klein in dat golvende, bonte mensenveld, maar tegelijkertijd welkom – alsof ik even deel mocht uitmaken van iets tijdloos.
De Key Monastery zelf, een imposant complex dat al meer dan duizend jaar tegen de bergwand kleeft, ademt een verstilde kracht. Binnen rook het naar boterlampen en oud hout. In het kleine winkeltje kochten we enkele souvenirs – bescheiden, maar betekenisvol. Een stukje van die serene wereld om mee te nemen.


Dinsdag 13 mei.


Een reisdag van 266 kilometer – van Kaza naar Badhal. We vertrokken vroeg, om acht uur, de bergen nog blauw van de ochtendlucht. Op de heenweg hadden we drie dagen over deze route gedaan, met uitstapjes naar kloosters en valleien. Nu was het in één dag.
Voor de motormuizen onder ons – Sake, Siem en de anderen – was het een uitdaging. Bocht na bocht slingerde de weg zich door het Himalayagebergte, soms slechts tien kilometer van de grens met Tibet.
Onderweg stopten we af en toe voor een foto: bergen als golven van steen, dorpen als zandkleurige vlekjes in de verte.
We lunchten in een modern hotel waar we de enige gasten waren. Iedereen koos de “Sizzler”: een gerecht van groenten en vlees, geserveerd in koolbladeren op een gloeiendhete ijzeren plaat. Toen het op tafel kwam, siste en dampte het alsof de bergen zelf stoom afbliezen. We lachten, aten, en voelden de vermoeidheid van de weg langzaam oplossen.


Woensdag 14 mei.


Na het ontbijt kreeg ik ineens het idee dat ik ook wel eens op een motor wilde rijden. Dat plan werd resoluut van tafel geveegd – het bleef bij een foto, zittend op de motor van Dev. Ach, de glimlach op hun gezichten zei genoeg.
De route van vandaag voerde ons over de hoge Jalori Pass, richting Mandi. Het was een avontuurlijke tocht: smalle wegen vol scherpe haarspeldbochten, diepe afgronden die soms angstaanjagend dichtbij kwamen wanneer we een vrachtwagen of bus passeerden.
Het landschap veranderde voortdurend. Dichte bossen met cipressen, dennen en zelfs palmbomen wisselden elkaar af; cactussen groeiden naast varens. India blijft me verbazen – een land dat alle seizoenen tegelijk lijkt te kennen.
De rit was mooi, maar ook vermoeiend. We stopten te weinig, vond ik – zeker voor een dame die af en toe een sanitaire pauze nodig heeft.
In Mandi wachtte een hotel met een zwembad dat schitterde in de avondzon. Sake en ik aarzelden geen moment: we doken erin. Het koude water voelde als pure verlossing na een lange, warme dag.


Donderdag 15 mei.


Wéér een lange reisdag, maar wat een landschap. De weg kronkelde langs eindeloze theeplantages, rijen struiken met fonkelend groene blaadjes die zacht bewogen in de wind. Daar, tussen de heuvels, lunchten we – de geur van verse thee hing in de lucht.
Onze bestemming was Dharamshala, de residentie van de Dalai Lama. Een plek waar Sake en ik al jaren van droomden.
Ons hotel was een prachtig resort, ontworpen door de mede-eigenares, een architecte. Alles klopte: het grote terras aan de rivier, het licht dat door de bomen viel, de rust.
’s Middags namen we de kabelbaan omhoog naar de residentie van de Dalai Lama. Het complex was half open, half gesloten – een plaats van ontmoeting en meditatie. Helaas was “His Holiness” zelf niet thuis op donderdagen. Jammer, maar toch voelde het bijzonder om daar te staan, op de plek waar hij normaal gesproken zijn bezoekers ontvangt.
We bezochten de tempelzalen, zagen zijn zetel, voelden iets van de kalmte die hij zo belichaamt.
Eerlijk gezegd waren onze verwachtingen misschien te hoog. De omgeving was druk, de gebouwen wat kaal. Toch bleef er een gevoel van eerbied. We liepen letterlijk in zijn voetsporen, en dat gaf een zekere ontroering.
Buiten kochten we souvenirs in de kleine winkeltjes, aten iets eenvoudigs, en lieten ons daarna in een dollemansrit met een taxi weer naar beneden brengen. Pas later, toen ik in bed lag, besefte ik hoe bijzonder het was om daar te zijn geweest – in de schaduw van de Dalai Lama, in het hart van zijn ballingschap.


Vrijdag 16 mei.


Vandaag reden we naar Amritsar. De zon brandde genadeloos – veertig graden, zeker. De motormuizen ploeterden in de hitte, ik zat gelukkig in de auto met airco.
De beloning wachtte aan het eind van de dag: de Gouden Tempel, het heilige hart van de Sikh-gemeenschap.
De tempel lag als een juweel midden in een waterbassin, zijn gouden koepel weerspiegeld in het kalme oppervlak. Rondom liep een witmarmeren pad waar pelgrims in stilte liepen of baden.
Binnen was het een en al devotie: mannen en vrouwen die bogen, zongen, baden – geloof als levende adem.
Iedere bezoeker kreeg een hapje van een zoetigheid uitgereikt, en wie honger had, kon aanschuiven voor de langar: de gratis maaltijd die de Sikh-traditie aan iedereen aanbiedt, ongeacht afkomst of geloof.
De keuken was een wonder op zich – honderden mensen die samen kookten, serveerden, afwasten. Het voelde als een gemeenschap in haar puurste vorm.
We bedekten onze hoofden uit respect. Ik droeg een sarong over mijn korte broek – een klein gebaar, maar het maakte me deel van het geheel.
De sfeer was zacht, open en liefdevol. Ik voelde me dankbaar dat ik hier mocht zijn, op deze plek waar geloof geen scheiding maakt, maar juist verbindt.


Zaterdag 17 mei.


De dag begon loom en heet. De lucht trilde boven het asfalt en de motoren glommen als gestolde zon. We reden verder door Punjab, richting de vlakte, het stof van de bergen nog in onze haren. De landschappen werden weidser, de lucht voller van geur — kruiden, uitlaatgassen, bloesem, aarde. India rook altijd naar leven, dacht ik. Naar te veel, maar nooit te weinig.
De avond bracht rust. We aten eenvoudig, lachten nog wat na over de dag. De hitte bleef aan je kleven, maar dat hoorde erbij. Het was alsof India je nooit echt met rust liet — niet met haar kleuren, niet met haar geluiden, en zeker niet met haar mensen.


Zondag 18 mei.


Om vijf uur ’s ochtends vertrokken we richting Delhi. De lucht was nog koel, een grijze sluier over de rijstvelden. De motorrijders waren opgelucht dat ze niet op het heetst van de dag hoefden te rijden; ik zat prinsheerlijk in de auto met airco.
De laatste vijftig kilometer reed Siem op de motor van Sake. Even het stuur overnemen — symbolisch bijna, alsof de reis langzaam van hand tot hand werd doorgegeven.
’s Middags bezochten we de Akshardham-tempel, een wonder van steen en devotie in het hart van New Delhi.
Het bouwwerk, opgedragen aan Heer Swaminarayan, was immens: 234 gebeeldhouwde pilaren, 9 koepels, 20.000 beelden. De precisie was adembenemend — alsof ieder reliëf een gebed was dat uit steen was gesneden.
Binnen werden we door een reeks programma’s geleid. Eerst beelden die het leven van Swaminarayan vertelden, daarna een boottocht door scènes van oude Indiase beroepen en filosofen, gevolgd door een film over zijn jeugd en missie.
Tot slot het waterspektakel: licht, vuur en muziek, een visuele pelgrimstocht door geloof en verbeelding.
Het voelde een beetje als een heilige Efteling — indrukwekkend en vol schoonheid, maar ook menselijk en warm. Spiritualiteit als theater, en toch oprecht.
’s Avonds namen we afscheid van Marchienes en René. Het was onze laatste avond samen, bedoeld als bonte afsluiting van de reis. Maar India heeft zijn eigen ritme, en dat liet zich niet sturen: de restaurants gingen vroeg dicht, het eten kwam traag. Uiteindelijk zaten we met Burger King-maaltijden op het terras van het hotel.
We waren moe, een beetje melancholisch. Siem werd emotioneel en hield een kort, oprecht toespraakje. Kleine cadeautjes gingen rond — belletjes, symbolen, herinneringen.
Ik zei ook een paar woorden. Over hoe fijn, lief en zorgzaam de mannen waren geweest, hoe bijzonder deze reis was. Daarna namen we afscheid van de twee jongens. Ze moesten vroeg op, terug naar Nederland. Het voelde vreemd — alsof een stukje van de reis met hen vertrok.


Maandag 19 mei.


Sake en ik bleven nog even. Met een tuktuk gingen we naar de Qutub Minar, een indrukwekkende toren van rood zandsteen, een echo uit de 12e eeuw. We zaten in de schaduw van een koepel, terwijl groepen vrouwen en gezinnen ons nieuwsgierig aankeken.
Steeds weer vroegen ze of we met hen op de foto wilden. Soms kreeg ik zomaar een baby op schoot, klik, een lach, en weer een nieuw gezin dat hetzelfde vroeg. En vaak ook: stiekem genomen foto’s van opzij. Ik moest erom glimlachen — blijkbaar hoorde ik er vandaag bij, als bezienswaardigheid tussen de bezienswaardigheden.
Twee mannen van de security kwamen op ons af. Ze wilden wel foto’s van ons maken, maar leidden ons eerst enthousiast langs allerlei ‘mooie plekjes’. Aan het eind vroegen ze natuurlijk om een fooi. En ja, die gaven we. “Dan heb je weer twee mensen blij gemaakt,” zou Siem hebben gezegd.
’s Middags ontmoetten we hem opnieuw. We zouden samen naar de India Gate gaan, maar de hitte sloeg toe. Een suikerdip, vermoeidheid — ik moest afhaken. We vonden verkoeling in een restaurant, waar we iets heerlijks aten: geroosterde spinaziebladeren met een kruidig yoghurtsausje.
In hetzelfde gebouw was een kunsttentoonstelling. Tot mijn verbazing hingen er schilderijen die me deden denken aan Tilly’s werk – dezelfde kleuren, patronen, lijnen. Toeval, of niet? We maakten foto’s en stuurden ze haar toe.
De vlaggenceremonie lieten we schieten. De hitte was te intens. Misschien hebben we iets gemist, maar op dat moment voelde rust als de beste keuze.


Dinsdag 20 mei.


Onze laatste volle dag in India.
We begonnen vroeg, vol verwachting, op weg naar de Lotustempel. De zon brandde onverbiddelijk; de hitte was verstikkend. En toen, opeens, verscheen hij aan de horizon: de tempel, als een witte lotus die uit de aarde leek te rijzen.
Ik kreeg kippenvel. De lijnen, de stilte, het licht — alles straalde sereniteit uit.
Binnen was het koel en stil. We werden verzocht plaats te nemen in de zaal, waar rijen banken zich uitstrekten tot in de hoogte.
Ik zat daar, in de stilte, en voelde een plotselinge rust. Ik dacht aan Betze, die we kort na mijn thuiskomst zouden begraven. Ik mediteerde voor hem, en stuurde liefdevolle gedachten naar Sebastiaan en Lies.
Het was een moment van verstilling in een land dat nooit stilstaat.
Daarna bezochten we een expositie over de bouw van de tempel en de filosofie erachter — de Bahá’í-leer, over eenheid en verbondenheid. Het raakte me; het was alsof alles wat ik de afgelopen weken had ervaren – de verschillende geloven, talen, rituelen – hier samenvloeide tot één gedachte: dat we allemaal naar hetzelfde licht zoeken.
We waren dorstig en uitgeput toen Siem het idee kreeg om kokosmelk te drinken. Een man hakte snel een noot open met een hakmes; het vocht smaakte fris en zoet. We aten het zachte vruchtvlees met onze handen, terwijl de stad rondom ons bleef gonzen.
Daarna namen we de tuktuk naar de Gandhi Smriti, de plek waar Mahatma Gandhi zijn laatste dagen doorbracht en werd vermoord.
Zijn eenvoudige onderkomen ademde nederigheid: een mat, een laag tafeltje, enkele persoonlijke bezittingen.
“My life is my message,” stond er aan de muur. Die zin bleef bij me.
De rondleiding was wat stroef, maar de plek sprak voor zichzelf. Foto’s, teksten, moderne kunstwerken – allemaal pogingen om zijn gedachtegoed tastbaar te maken.
Buiten, op het pad van zijn laatste voetstappen, liep ik langzaam, stil. Kippenvel. Het was alsof zijn aanwezigheid nog in de lucht hing.
We sloten de dag af bij Siem en Dev thuis. Dev had heerlijk gekookt; we aten, lachten, praatten na. Siem bracht ons daarna terug naar het hotel, dwars door het kluwen van Delhi’s avondverkeer – claxons, lichten, stemmen, warmte.
Het was een chaos, maar ook een soort symfonie. India’s laatste groet.


Woensdag 21 mei.


Vanochtend stonden Siem, Dev en de chauffeur klaar met de taxi. Een laatste zwaai, een omhelzing, en toen reden we naar de luchthaven. India verdween langzaam achter ons, in stof en zonlicht.
Het vliegtuig vertrok met vertraging – passagiers moesten nog overstappen. Ik zat naast een vrouw uit India die al jaren in Bergen op Zoom woonde. We raakten in gesprek; ze vertelde over haar promotie, haar leven tussen twee werelden.
Het voelde symbolisch: ook ik was nu een beetje tussen werelden, nog niet helemaal thuis, maar India al niet meer om me heen.
De reis terug was lang. Op Schiphol liep de bagageband vast. Sake sprong kordaat bij, gooide koffers van de band alsof het niets was. Uiteindelijk bereikten we Groningen pas tegen middernacht.
De volgende ochtend moest ik al vroeg met de boot naar Terschelling, voor de begrafenis van Betze.
Die nacht kreeg ik hevige diarree – ironisch, alsof mijn lichaam protesteerde tegen het afscheid van India. Met wat Chinese kruiden en droge crackers hield ik mezelf overeind. Sebastiaan wachtte me op in Harlingen en bracht me naar Hoorn. Ik was net op tijd.
Het was een zware dag.
Daarna volgden nog de verjaardag van Boris, en het feest van Bert en Tilly – zestig jaar getrouwd.
Het leven denderde door, zoals altijd. Pas daarna kwam de stilte, de rust, het uitpakken van de koffer. En de eerste ademhaling terug in het Nederlandse ritme.


Epiloog.


Nu ik dit schrijf, lijkt alles ver weg en toch dichtbij. India leeft nog in me – in kleuren, geuren, stemmen. In de manier waarop mensen daar geloven, werken, lachen, en in hun chaos iets van vrede vinden.
Ik denk terug aan de monniken in Key, de stilte bij de Dalai Lama, de warmte van Amritsar, het licht van de Lotus.
Het was een reis van uitersten: van bergen tot woestijnen, van stilte tot geluid, van heiligheid tot hectiek. Maar bovenal was het een reis naar binnen.
India liet me zien hoe klein ik ben, en tegelijk hoe verbonden met alles om me heen.
Sake zei onderweg eens: “India is geen land, het is een gevoel.”
En dat klopt.
Het laat zich niet vatten, alleen beleven.
En misschien, heel misschien, blijft er iets van dat gevoel altijd in mij achter.